Over

Over

Erik Dolstra eigenlijk financiële man. Voor vier dagen per week. Op woensdag is hij ‘vrij’. Die vrije dag gebruikt hij, samen met de avonden en de weekenden, om voor zijn bijenvolken te zorgen. Tijd voor een goed gesprek .

“Eigenlijk kan ik alles, maar ik kan niets echt goed. Behalve bijen houden. Ik geloof dat ik daar echt goed in ben. Ik heb al jaren geen dode bijenvolken. Terwijl ik met een aantal kasten tussen de landbouwgewassen sta. Blijkbaar heb ik er talent voor.” Zodra je bij Erik over bijen begint, dan is het hek van de dam. Sowieso is het leuk praten met Erik, maar het onderwerp bijen maakt iets extra’s in hem los. Dan begint hij te glunderen. Als je hem over die kleine steekgrage insecten ziet praten weet je: die Erik, dat ís een imker.

“Ik heb altijd aparte hobby’s gehad. Zo was ik als kleine jongen een tijdje wild van mijn metaaldetector. Daar kon ik me helemaal in verliezen. Die spanning of je iets ging vinden vond ik gaaf. Totdat ik een zilveren lakstempel vond. Ik wist dat ik nooit meer iets mooiers zou vinden, dus toen ben ik gestopt. Ik was ook een tijdje in de ban van sportvissen. Totdat ik een grote karper ving. Weg hobby. Mijn tijd bij de schietvereniging vond ik ook heel leuk. Totdat ik merkte dat ik mezelf niet meer verbeterede. Hetzelfde geldt voor de oude Alfa Romeo Giulia die ik met mijn schoonvader heb opgeknapt. Toen dat klaar was, vond ik het wel mooi geweest.”

Nee, dan de bijen. Als jongetje van acht zag Erik een documentaire over honingbijen. Dat wilde hij ook. En zo gebeurde het ook. Op zijn tiende kreeg Erik zijn eerste bijenvolkje van een imker. “Mijn ouders hadden mij met hem in contact gebracht. Ik weet nog dat ik voor het eerst een kast openmaakte. Ik vond het spannend en leuk tegelijk. Vergelijk het met de eerste keer pistoolschieten, de eerste keer een grote vis vangen, of voor het eerst iets moois vinden met een metaaldetector. Maar in tegenstelling tot die andere hobby’s kwamen de bijen steeds terug.”

Drie keer onderbrak hij zijn hobby. In de pubertijd voor het eerst. “Ik kreeg andere interesses. Sowieso was bijen houden niet stoer. Mijn vriendjes kwamen ook nooit kijken. Niemand had interesse in mijn bijen. Maar nu ik voor de derde keer begonnen ben, durf ik wel te stellen dat ik nu het stadium van de overtreffende trap van een uit de hand gelopen hobby heb bereikt. Deze zomer verwachtte ik van zestig tot zeventig kasten meer dan een ton honing. Maar door het koude en droge voorjaar is er nog nauwelijks honing. Wie weet komt het nog.”

Een aantal van die bijenkasten staat bij hotels in de omgeving van Amsterdam: bij het Novotel op Schiphol, bij het Mercure hotel in het centrum van Amsterdam, bij IBIS in Badhovendorp en bij het Mercure hotel op de Zuid-as. In ruil voor de ‘attractie’ nemen de hotels een minimum aantal potten af. “Leuk toch? De honing die hotelgasten ’s ochtends in hun yoghurt doen, komt rechtstreeks van de bloemen uit de tuin, gehaald door lokale bijen.”

“Ik weet niet wat het is. Ik kan die bijen gewoon niet loslaten. Sowieso heb ik daar veel moeite mee, met loslaten. Ik heb weinig rust in mijn hoofd. Als ik bij Het PR Bureau de deur achter mij dichttrek, dan maalt het nog door in mijn hoofd.” Een notitieboekje naast zijn bed biedt uitkomst. “Als ik iets bedenk, dan schrijf ik het direct op. Dat helpt.” Al geven zijn bijen hem ook de nodige rust. “Ik kan zo een uur geobsedeerd kijken hoe de bijen de kasten in en uitvliegen. Na een tijdje denk ik dan: was ik hier niet om dingen te doen?”

Dat het niet goed zou gaan met de honingbijen is volgens hem niet waar. “Als je gewoon goed voor je volken zorgt is er niets aan de hand. Je moet wel weten wat je doet, natuurlijk.” En Erik weet wat hij doet. In de maanden april en mei kan een bijenkoningin tot tweeduizend eitjes per dag leggen. Een volk breidt daarmee in korte tijd enorm. Als de kast te klein wordt, komt hij in actie. “De natuur is fascinerend. Op een gegeven leggen de bijen in een speciale cel een eitje. Met behulp van speciale klieren geven ze koninginnengelei aan het larfje dat uit het eitje komt. Een nieuwe koningin wordt geboren. De oude koningin wil op dat moment uitvliegen. Vlak voor dat moment plaats ik de helft van de bijen in een nieuwe kast.”

Hij zou er best van willen leven, van zijn imkerbestaan. Maar in Nederland is dat vrijwel onmogelijk. “Ik produceer nu al redelijk wat honing, maar het geld wat ik daarmee verdien gaat allemaal op aan materialen en investeringen. In Nederland zijn misschien een paar mensen die ervan kunnen leven. Het belangrijkste is dat het leuk is. Ik doe leuke dingen met goede materialen en leuke mensen. Ik heb een heel leuk netwerk opgebouwd. En ik krijg waardering. Mensen vinden mijn honing lekker. Tijdens de Nationale Honing Keurig vorig jaar, kreeg ik de hoogste score. Wat wil je nog meer?”